Jaren twintig

Algemeen

In 1920 werd Bert le Vack bij de Londense dependance van het bedrijf in dienst genomen. Hij werkte aan de doorontwikkeling van de 8-kleps V-twin. In 1922 nam Indian het bedrijf Miami over en in 1926 ook de productie van de vroegere ACE-viercilinders. In 1923 was Indian de eerste producent ter wereld die meer dan een kwart miljoen motorfietsen had geproduceerd. Tegen het einde van de jaren twintig ging het erg slecht met het merk Indian. De sportieve successen bleven achterwege en Indians moesten regelmatig het hoofd buigen voor machines van Harley-Davidson. Men ging over op de productie van schokdempers voor auto’s, ventilatoren en buitenboordmotoren, waardoor de situatie echter nog verslechterde. De erven van Oscar Hedstrom, die zich bezig hielden met de ontwikkeling en productie, waren enthousiaste “motormensen”, maar de opvolgers van Hendee, die zich met de dagelijkse leiding van het bedrijf bemoeiden, waren samen met de investeerders en banken meer geïnteresseerd in het optimaal benutten van de productiecapaciteit. Er werd zelfs kapitaal uit het bedrijf weggesluisd. In 1928 werd de bedrijfsnaam veranderd in “Indian Motocycle Co” (zonder “r”). De in deze periode geïntroduceerde “Scout” en “Chief” modellen werden bijzonder populair en hadden een goede reputatie op het gebied van kracht en betrouwbaarheid. Daardoor kon het bedrijf in weerwil van het mismanagement én de concurrentie van Harley-Davidson en Excelsior het hoofd boven water houden.

Overname van Ace

In 1927 nam Indian de Ace Motor Corporation over. Daardoor kreeg men de beschikking over de viercilinder lijnmotoren van dat merk, die aanvankelijk nog als Indian-Ace verkocht werden, maar al spoedig uitsluitend als “Indian”. Arthur O. Lemon kwam als hoofdingenieur van Ace mee naar Indian. Hij was een kenner van de viercilinders, die feitelijk in de jaren tien waren ontwikkeld door Henderson en na de overname van Henderson in 1917 “Excelsior” waren gaan heten. Lemon was al in 1915 bij Henderson in dienst getreden en ook mee gegaan naar Excelsior. Henderson had na de verkoop van zijn fabriek zelf het merk “Ace” opgericht. Gedurende korte tijd reden er daardoor viercilinders onder de merknamen Ace, Excelsior, Henderson, Indian-Ace en Indian rond.

Modellen jaren twintig

Scout:
Na de Eerste Wereldoorlog besloot men een 42º V-twin uit te brengen die met zijn 606 cc motor en lagere bouw veel handelbaarder én goedkoper was dan de zware Powerplus. Deze door Charles Gustafson en Charles B. Franklin ontwikkelde machine kreeg de naam “Scout” en werd onmiddellijk een succes. Er was een semi-unit versnellingsbak ingebouwd. Deze was weliswaar gescheiden van de motor zelf, maar aan het carter gebout, en de primaire aandrijving kon daardoor geschieden met behulp van een tandwielset. De versnellingsbak zelf had een aluminium carter en een eigen oliebad. Het frame was nieuw ontworpen door Franklin en was laag gebouwd met een lange wielbasis. Ook in heuvelklim en dirttrack wedstrijden werd de Scout een populaire machine. De Scout werd, met een aantal doorontwikkelingen, in verschillende versies geproduceerd tot 1949.

Chief en Big Chief:
De Chief verscheen in 1922 met de 1.000 cc motor die gebaseerd was op die van de Powerplus, maar al in 1924 werd de Big Chief uitgebracht, met een cilinderinhoud van 1.200 cc, waarschijnlijk in navolging van de modellen van Harley-Davidson. In 1928 werd de machine uitgerust met een voorrem.
Prince: Rond 1925 wilde men mensen aansporen te beginnen met motorrijden. Daarvoor werd een kleine, lichte motorfiets ontworpen, die verkocht werd met de slogan “You can learn to ride it in five minutes”. Deze machine had een 344 cc eencilinder zijklepmotor, een girdervoorvork met een schroefveer en een verlaagd, geveerd zadel (achtervering ontbrak). Er was slechts één trommelrem aanwezig, in het achterwiel. De Prince had drie versnellingen. De wigvormige tank die bij de Scout en Chief modellen en aanvankelijk ook bij de Prince was gebruikt, werd vanaf 1926 bij de Prince vervangen door een meer afgeronde, op Europese leest geschoeide tank. Het zadel was verlaagd en het stuur verlengd, zodat ook kleine personen er gemakkelijk bij konden.
Indian-Ace, 401 en 402: Van 1927 tot 1928 werd de Ace-viercilinder ongewijzigd verkocht als Indian-Ace en Indian 401, maar in 1928 was Arthur O. Lemon klaar met de doorontwikkeling van de motorfiets, die vanaf dat moment Indian 402 ging heten. De 402 had een meer betrouwbare motor, maar ook het frame van de Scout en een verbeterde voorvork. De machines hadden kop/zijklepmotoren van het IOE (Inlet Over Exhaust)-type, waarbij de inlaatklep dus als kopklep en de uitlaatklep als zijklep was uitgevoerd.

101 Scout:
In 1927 werd de motor van de Scout vergroot tot 745 cc, als antwoord op het succes van de Excelsior Super X. Deze 101 Scout had een nieuw, door Franklin ontwikkeld frame, waardoor de stabiliteit toenam. Door het begin van de crisis verdween dit model weer rond 1932, het blok werd in een Chief frame gehangen en zo ontstond de “Standard Scout”.

Bron: Wikipedia