E. Paul Du Pont

De broers E. Paul en Francis Du Pont behoorden tot de schatrijke Du Pont familie die het chemische bedrijf DuPont bezat. De broers hadden hun eigen automerk Du Pont Motors opgericht en waren al sinds 1923 aandeelhouders van de Hendee Mfg. Co. In 1930 overtuigde Paul Du Pont zijn broer Francis om hun automerk Du Pont te laten samensmelten met Indian. Om hun oorspronkelijke investering van $ 300.000,= terug te verdienen was feitelijk een volledige overname van het bedrijf nodig. Daartoe kocht Paul een groot aandelenpakket. Dat was de redding van de Indian Motocycle Co., want door het slechte, zelfs criminele management had het bedrijf de gevolgen van de Grote Depressie zonder hem niet kunnen overleven. Du Pont ontdekte dat het management productiekapitaal had verduisterd. De managers verlieten het bedrijf om een aanklacht te voorkomen. Het familiebedrijf DuPont produceerde chemische producten, waaronder verf, waardoor vanaf 1934 Indians in liefst 24 kleuren leverbaar werden. In die tijd verscheen ook de getooide Indianenkop op de tank. Paul Du Pont installeerde de productiemanager van de autofabriek Loring F. Hosley als productiemanager van Indian en Briggs Weaver werd hoofdingenieur. Tevens werd de Du Pont H, een auto met een Continental-achtcilindermotor, bij Indian geassembleerd tot het faillissement van de autofabriek in 1933. Du Pont verkoos duidelijk de motorfietsproductie boven die van de auto’s, hoewel de laatste in de jaren dertig een grotere overlevingskans hadden. Waarschijnlijk had hij simpelweg meer persoonlijke interesse in motorfietsen. Indian bleef met veel moeite bestaan, net genoeg producerend om een faillissement te voorkomen, maar van de productiecapaciteit werd in 1933 slechts 5% daadwerkelijk benut. Du Pont beëindigde onmiddellijk alle niet-motorfietsgerelateerde productie. Weaver ontwierp nieuwe, indertijd moderne lijnen voor de motorfietsen en Hosley moderniseerde de productie, waardoor Indian binnen tien jaar weer een goed lopend bedrijf werd. Paul Du Pont verleende hand-en-spandiensten als testrijder, maar ook als technisch ingenieur.

Modellen jaren dertig

Standard Scout:
De Standard Scout verscheen in 1932 en was eigenlijk een “spaarmodel”. Het uitstekende frame van de 101 Scout verdween en het blok werd in een veel zwaarder Chief-frame gehangen. Dit waren allemaal besparingsmaatregelen om de gevolgen van de crisis op te vangen. Daardoor werden er relatief weinig Standard Scouts geproduceerd en het model verdween weer in 1937. De Standard Scout was wel populair bij politiekorpsen vanwege zijn rustige motorloop en het lage brandstofverbruik.

Sport Scout:
De Sport Scout verscheen in 1934 als reactie op het matige enthousiasme voor de Standard Scout. De Sport Scout was lichter en had een kortere wielbasis, waardoor de machine beter handelbaar was.

Scout Pony, Thirty-Fifty en Junior Scout:
De Scout Pony verscheen in 1932 tegelijk met de Standard Scout, maar had een 500 cc motor. Omdat dit overeen komt met 30.5 cubic inches, werd de machine later “Thirty-Fifty” en “Junior Scout” genoemd. De machine werd verkocht als damesmotorfiets en de productie eindigde in 1941. Na de oorlog werden opnieuw 500 cc Scouts geproduceerd, onder de naam 640 B, afgeleid van het militaire model.

402:
In 1936 werd het IOE-principe van de viercilinder motor omgedraaid, de inlaatklep werd zijklep en de uitlaatklep werd kopklep. Daarmee kreeg de machine de bijnaam “Upside-Down-Indian”. Hierdoor leverde de motor weliswaar meer vermogen, maar het resulteerde ook in warmteproblemen in de cilinderkop én het kruis van de bestuurder. Bovendien werd het onderhoud moeilijker. Indian draaide het in 1938 weer terug.

Bron: Wikipedia